Zuurstoftekort;

Vissen nemen om te ademen via de kieuwen zuurstof op uit het water. Vissterfte heeft daarom in de meeste gevallen met de beschikbaarheid van zuurstof te maken. Zuurstof is goed oplosbaar in het water. De oplosbaarheid neemt echter af bij een toenemende watertemperatuur. Hoe hoger de watertemperatuur, hoe lager het zuurstofgehalte. Dit is de reden waarom wateren tijdens de zomer minder zuurstof bevatten dab tijdens de winter. Bovendien zijn vissen koudbloedige dieren, (hun lichaamsprocessen volgen de omgevingstemperatuur), die in de zomer een snellere stofwisseling met een grotere zuurstofbehoefte tot gevolg.

Bij zuurstoftekort verzamelen vissen zich op plaatsten waar nog het meeste zuurstof is. Bij extreem lage gehalte proberen vissen zuurstof via de bek uit de lucht op te nemen en te vermengen met het water, om zo zuurstofrijker water onder de kieuwen te krijgen. Dit gedrag wordt noodademhaling genoemd. Daarbij zwemmen ze langzaam aan het wateroppervlak en lijken ze minder schuw (visflauwte). Gevoelige soorten voor dit fenomeen zijn voorn, baars, snoekbaars en snoek, waarbij voornamelijk jonge vissen erg kwetsbaar zijn. minder gevoelige vissen zijn karper, paling en zeelt.