Zuurstofstagnatie en najaarskering;

In het voorjaar en de zomer stijgt de temperatuur van de bovenste waterlagen door opwarming. Hierdoor treedt bij diepe wateren (> 5 m) een zogenoemde thermische gelaagdheid op. De warme bovenste waterlaag drijft op de koudere en zwaardere onderlaag. Als het temperatuurverschil voldoende groot is, zal zelfs bij sterke wind geen menging van deze warme en koude waterlagen optreden. Tussen het warme water (bovenlaag) en het koude water (onderlaag) bevindt zich een zogenoemde spronglaag, waar de watertemperatuur over korte afstand plotseling daalt. De spronglaag houdt niet enkel het warme en koude water gescheiden, maar verhindert ook de uitwisseling van zuurstof tussen beiden. Wanneer veel bodemslib aanwezig is, kan het zuurstofgehalte in de koude onderlaag van het water tot nul dalen. Dit beperkt de leefruimte van de vissen tot de bovenste waterlaag.

Niet alle diepe wateren vertonen noodzakelijk deze gelaagdheid. In zandwinplassen en kleiputten met steile oevers treedt het snelst gelaagdheid op. Dit kan vermeden worden door het water ondieper te maken (2-4 m) en het oevertalud of te vlakken.

In de nazomer of herfst worden de bovenste waterlagen door afkoeling vrij snel kouder en zwaarder dan de onderlaag. De onderlaag wordt nu de warmste en komt naar boven. Hierdoor treedt menging van de verschillende waterlagen op. Als dit plotseling gebeurt, bijvoorbeeld na de eerste koude najaarsnacht of na een onderkoelde regenbui - en de massa zuurstofloos water uit de onderlaag zich over de volledige waterkolom mengt, kan er zuurstofgebrek en massale vissterfte optreden. Dit noemt men "najaarskering". Het proces voltrekt zich vaak 's nachts, zonder dat dit op het eerste gezicht vooraf waarneembaar was.

Er bestaat apparatuur om het water op grote diepte te bemonsteren. Wanneer daarbij een gelaagdheid in temperatuur en/of zuurstofgehalte waarneembaar is, kunnen voorzorgsmaatregelen genomen worden. Dit gebeurt het beste in de periode juli of augustus, wanneer het water is opgewarmd. Voor kritische wateren waar najaarskering regelmatig vissterfte veroorzaakt, kan diepwater beluchting overwogen worden. Dit is echter een vrij dure beheermaatregel.

Tijdens de mengingsperiode kunnen bijkomend oppervlaktebeluchters worden ingezet om de visstand voldoende zuurstof te verschaffen. Diepe wateren waarvan de gelaagdheid een plotse kering kan veroorzaken, dienen in het najaar nauwlettend geobserveerd te worden. Het moment waarop de bovenlaag plots afkoelt naar de temperatuur van de onderlaag is daarbij kritisch.

Niet alle "gelaagde" wateren keren in het najaar. Gelaagdheid kan ook een gevolg zijn van een verschil in zoutgehalte. De zware zoutere onderlaag komt zelden plots naar boven, zelfs als er een temperatuurverschil is. Tot slot treedt er ook of en toe "voorjaarkering" op. Dit gebeurt meestal na een lange periode van strenge vorst, gevolgd door een zeer snelle dooi van het ijs.