Invloed van kwelwater en effecten van waterbeheersing;

Invloed van kwelwater;

Tijdens warme zomers met weinig neerslag kan het peil van sommige binnenwateren door verdamping sterk dalen. Door de afname van de hoeveelheid oppervlaktewater neemt de druk op de grondwaterlagen af, waardoor heet kwelwater kan opborrelen. Aangezien kwelwater doorgaans zuurstofarm is, kan dit het zuurstofgehalte in her oppervlaktewater sterk verlagen. Kleine ondiepe wateren met weinig doorstroming zijn hiervoor het gevoeligst. In veel gebieden is kwelwater bovendien sterk ijzerhoudend, wat een bijkomende onttrekking van zuurstof veroorzaakt.

Waterbeheer

Het oppompen van grondwater, om tijdens droogte het peil van een vijver aan te vullen, is dus riskant. Vaak veroorzaakt dit vissterfte. Het grondwater goed beluchten of tijdelijk in een open reservoir (zonder vis) aan de lucht blootstellen is aan te raden, alvorens er de vijver mee aan te vullen.

Effecten van waterbeheersing;

Ten behoeve van peilbeheer of bevloeiing kan vreemd water, naar een watersystemen worden aangevoerd. Dit veroorzaakt in het ontvangende water plaatselijk hoge stroomsnelheden (b.v. bij pompgemalen) waarbij het omgewoelde slib zich op de kieuwen van vissen vastzet en daardoor de ademhaling bemoeilijkt.

Vervuilde beek

Ook waterplanten, vis eitjes en broed kunnen zo verstikken. De biologische afbraak van het omgewoelde slib kan een plotse daling van het zuurstofgehalte veroorzaken en op termijn eutrofiering in de hand werken. Tot slot bestaat ook het risico dat her aangevoerde water van slechte kwaliteit is of een heel andere samenstelling heeft. Bij grote debieten en onvoldoende vluchtmogelijkheden kan dit tot vissterfte leiden. Een te drastische afvoer van overtollig water kan op zijn beurt aanleiding geven tot sterke peilverlaging en droogstand van waterlopen. Bovendien kunnen vissen worden uitgespoeld met het afgevoerde water. Wanneer spuiregimes worden toegepast tussen zoetwater en brak- of zeewater kunnen mee gespoelde zoetwatervissen in een omgeving met een te hoog zoutgehalte terechtkomen, waarin de meeste soorten niet overleven.

Het effect van peilverlaging op de visstand varieert met de seizoenen. Tijdens de paaitijd kunnen ondiepe (oever)zones met waterplanten, viseieren en broed droog komen te staan. Door waterpeilverlagingen worden vissen ter plaatse eveneens geconcentreerd en ontstaat er -vooral bij warm weer -zuurstoftekort. Tijdens de winter verhoogt een te laag waterpeil de kans op bevriezing. Wanneer peilverlagingen te snel gebeuren, bestaat het gevaar dat vissen door droogvallende stukken ingesloten taken en de diepere hoofdwatergang niet meer kunnen bereiken.

Naarmate een water dieper is kan er een grotere zuurstofvoorraad worden opgebouwd. In viswateren zoals polders die onderhevig zijn aan peilschommelingen, kunnen de brede watergangen best tot tenminste twee meter verdiept worden. In gebieden waar het niet mogelijk is alle wateren op deze diepte te brengen, kan een plaatselijke verdieping een goede uitkomst bieden als uitwijkmogelijkheid en overwinteringplaats.

Waterbeheerders moeten bij het instellen van her waterpeil (zomer- winter) of her bemalingregime ook rekening houden met de effecten voor de visstand. Een geleidelijke omschakeling van zomerpeil naar winterpeil, of vice versa, kan veel ellende voor de vissen voorkomen. Er moet vermeden worden om lage peilen te vroeg in het voorjaar (paaiperiode) in te stellen. Op lange termijn kan best onderzocht worden welke andere beheermaatregelen (ruiming van waterlopen, waterverbruik, bemalingregime) een te drastische peilfluctuatie kunnen voorkomen. Bij ijsvorming moeten bemalingen eveneens zo veel mogelijk vermeden worden. Bij het aanvoeren van gebiedsvreemd water voor bet peilbeheer moet er ook steeds over de goede kwaliteit van dit water gewaakt worden.