Ammoniak en zoutgehalte;

Ammoniak,

De stoffen ammonium (NH4`) en ammoniak (NH3) komen tegelijkertijd in her water voor. Beiden zijn afkomstig uit de stikstofcyclus.

Ze worden gevormd door de afbraak van organisch materiaal. Lozingen van ongezuiverd afvalwater, ammoniumzouten en her uitspoelen meststoffen zijn de bekende vervuilingsbronnen in onze binnenwateren.

De verhouding tussen ammonium en ammoniak is afhankelijk van de temperatuur en de zuurtegraad. Een hoge pH en in mindere mate een laag zuurstofgehalte werken de omzetting van ammonium naar ammoniak in de hand. Elke verhoging van de pH heeft een snelle stijging van her ammoniakgehalte tot gevolg. Dit betekent echter met dat er onmiddellijk toxische effecten zijn. In eerste instantie wordt dit bepaald door her gehalte aan ammonium dat kan worden omgezet. Bij een ammoniumgehalte van bijvoorbeeld 5mg/1 (absolute waarde voor basiskwaliteit van oppervlaktewater) veroorzaakt een pH van 8,2 een concentratie aan ammoniak (0,3 mg/1) die schadelijk is voor regenboogforel. Blankvoorn verdraagt daarentegen tijdelijk waarden tot 13 mg/I ammoniak. De afgifte van koolzuurgas (C02) heeft rond de kieuwen een licht aan zurende werking, wat beschermend werkt.

Ammoniak is een gas en is sterk oplosbaar in water. Als gif tast het de ademhaling en het zenuwstelsel aan. Typerend voor vissterfte door ammoniak is dat de vis sterft zonder eerst te komen luchthappen. Deze noodademhaling is typisch voor zuurstofgebrek.

Sterfte wordt best preventief aangepakt door her weren van organische vervuiling, beluchting en pH controle. Doorstroming en verdunning met zuiver water kunnen helpen om her ammoniakgehalte te verlagen, maar aangetaste vissen zijn doorgaans niet meer te redden.

Zoutgehalte,

Een hoog zoutgehalte veroorzaakt eerder zelden acute vissterfte. Bovendien kan de ene vissoort een verhoogd zoutgehalte langer verdragen dan de andere. Bij een langzame overgang treedt er zelfs gewenning op. Neemt bet zoutgehalte toch plots sterk toe, dan gedragen vissen zich zoals bij een sterke verandering van de zuurtegraad. Zij zwemmen traag of schijnen het water te willen ontvluchten. Er ontstaan witte vlekken op de huid, de vinnen worden rafelig en de slijmhuid en ogen worden aangetast. Vissen die vergevorderde verschijnselen vertonen zijn veelal niet meer redden en zullen uiteindelijk sterven.

Wateren waarop straatriolen direct lozen of die vlak langs wegen liggen, kunnen na een dooiperiode hoge zoutconcentraties vertonen door toestroming van het smeltwater vermengd met strooizout (pekelwater). Bufferbekkens langs autosnelwegen zijn voorbeelden waar dit wel eens tot vissterfte leidt. Hoge zoutconcentraties in oppervlaktewater kunnen vermeden worden door de toestroming van smeltwater vermengd met strooizout te vermijden of door een alternatief voor strooizout te zoeken. Waar zoet water grenst aan brak of zout water moet voorzichtig worden omgesprongen met de bediening van sluizen en gemalen. Het grootste gevaar schuilt in de scherpe zoet / zout gradiŽnt, wat een onnatuurlijke situatie is. Indien her zoutgehalte toch te hoog is, kan door middel van doorstroming en door verdunning met zuiver water de schade worden beperkt.