Vissen op Snoek;

Je eerste hengel hoeft echt geen honderden guldens te gaan kosten, want ook voor een bedrag van tussen de €50,- en de €100,- heb je als beginner al een redelijke hengel tot je beschikking. Houd er wel rekening mee dat als je een nieuwe hengel koopt dat deze een werpgewicht heeft van ongeveer 30 à 40 gram heeft dus een zogenaamde allround spinhengel, die je zowel geschikt is voor het spinneren als wel voor het vissen met lichte pluggen.

Natuurlijk moet er ook een molen aan de hengel komen. Ook deze zijn verkrijgbaar in verschillende prijsklassen, maar als beginnend snoekvisser kun je volstaan met een molen van ongeveer €75,-. Let er wel op dat de molen een goede instelbare slip heeft en een gelaagde lijnrol. Indien de molen niet van een gelaagde lijnrol is voorzien zal de lijn eerder slijtage vertonen en dus eerder breken.

Als beginnend visser moet je bij de lijnkeuze die je maakt rekening houden dat je een niet te dunne lijn aanschaft omdat je anders de kans loopt door onervarenheid onnodig spinners en pluggen te verliezen het zij aan de bodem of (wat veel erger is) in de bek van een mooie snoek. Kies daarom ten minste voor een 30/00 nylon lijn of een 15 Lb. gevlochten lijn de zogenaamde dynema lijnen. Zelf vis ik met de “Pike Tension” een lijn die ongeveer €75,- kost en 100% rond is.

Voorts is het verstandig als beginner om een stevig schepnet mee te nemen voor het geval je er onverwachts een kanjersnoek aan krijgt. De wat meer ervaren vissers nemen vaak al geen schepnet meer mee als ze de situatie aan het water kennen en passen bij een snoek de kiew greep toe.

Voor het onthaken heb ik geen arterieklem maar een goede punt bektang die je in de gereedschapszaak koopt omdat die steviger is en een betere grip heeft als een arterieklem klem.Ook een goede kniptang is onontbeerlijk om bijvoorbeeld een haak door te knippen.

Een meetlint is ook altijd handig om de lengte van de vangst te meten en als laatste is het nog leuker om ook een fototoestel mee te nemen om thuis de kanjers te kunnen tonen.

Als ik vis, spelen verleden en heden geen rol. Andere mensen denken misschien: wat een zielenpoot, maar ik word gelukkig van vissen. Ik herinner me een specifiek geluks moment. Het was in de zomer, aan het eind van de dag. De zon scheen nog wel, maar het licht was niet meer zo scherp. Het water was als een spiegel en had  een prachtige roodachtige tint, die me deed denken aan de bergen van de Pyreneeën. Om me heen zag ik de hoge bomen rond het water. Ik stond in mijn visboot, in mijn eigen territorium waar niemand op mocht komen. Ik voelde de ruimte om me heen en mijn lichaam reageerde automatisch op de hengel met kunstaas. Vissen heeft iets meditatiefs. Een paar uur lang is er niets anders belangrijks, in een soort superconcentratie ben ik alleen maar met vissen bezig. Ik schat in waar de snoek tussen de waterplanten kan staan en waar ik een aanbeet kan verwachten. Ik ben helemaal in het moment, het verleden en toekomst spelen rol. Lichaam en geest zijn echt één en ik ben met mezelf. Mensen hebben het er altijd over dat het geluksmoment deelt met andere, maar ik denk dat je ze vaker alleen beleeft.

Naarmate de zomer vordert zal de laag warm water dikker worden en zal de snoek ook dieper weg trekken. Is in juni nog een diepte van 2 a 3 meter normaal voor de snoeken. In augustus kan de spronglaag makkelijk 6 meter dik zijn. De dikte van de spronglaag hangt ook af van de helderheid van het water. In heldere plassen zal de laag dikker zijn dan in troebele wateren. Dat komt doordat in troebel water het zonlicht, dus ook de warmte, niet doordringt tot grotere diepte en daardoor dus langzamer zal opwarmen.

Als het buiten weer kouder gaat worden dan dat het water warm is dan zal de spronglaag weer langzaam aan dunner worden en tegen de winter zelfs helemaal verdwijnen. Daarom is het in de wintermaanden ook zo moeilijk om met kunstaas op diepe plassen snoeken te vangen. De snoek kan op 2 meter diepte zitten maar ook net zo makkelijk op 13 meter. Ook gaat de snoek trager worden en minder eten in de winter omdat zijn lichaamstemperatuur daalt tot slechts een graad of 5. Door zijn relatieve lage temperatuur in de winter verbrand een snoek dus ook weinig energie en zal aan 1 flinke aasvis in de paar dagen genoeg hebben om te overleven.

Dood aas.

De laatste jaren word er steeds meer met dood aas gevist. Dit komt voor een deel doordat sinds augustus 1998 niet meer met levend aas mag worden gevist vanwege een minister die tijdelijk minder toerekeningsvatbaar was maar ook omdat steeds meer vissers door krijgen dat er op deze manier forse snoeken te vangen zijn.

Ik vis graag met kunstaas in mijn T shirt, maar ‘s winters met mijn warme kleding achter een paraplu in het winterzonnetje turend naar mijn lange matchdobber is ook niet verkeerd. Van deze manier van vissen gaat een enorme rust uit totdat de dobber langzaam weg zakt in de donkere diepte. Of het trage gepiep van optonics dat de stilte doorbreekt. Meestal is het daarna even hectisch met het opmeten van een snoek, het maken van een foto en indien de maat echt groot is het wegen van de snoek. Het leuke van dood aas vissen is ook dat je samen met je vismaat de hele dag kan converseren over het vissen, de familie, de beurs of wat dan ook. Het is altijd rustig aan de waterkant, niet het gepruttel van de buitenboordmotor en weinig bezoekers die de meest gestelde vraag aan de waterkant stellen die je maar kan bedenken. “Al wat gevangen?”

Maar ook voor dit dood aas vissen telt dat hier het juiste materiaal van groot belang is. De juiste hengel om de dode ingevroren aasvis op de juiste plek te deponeren, een reel of molen met een perfecte slip omdat de snoek die een dode aasvis pakt in de regel vrij fors is. Soepel staaldraad en een vrij scherpe dreg zijn uiteraard ook zeer belangrijk. Gevlochten lijn is ook voor deze vorm van snoekvissen onontbeerlijk. Op grote afstand een haak in een harde snoekenbek krijgen is met gewoon nylon bijna niet te doen.

Verankerd aas.

Goede aasvissen voor dood aas zijn voor mij in volgorde van persoonlijke voorkeur: SARDIEN, BAARS, HARING, MAKREEL, BLANKVOORN. Met dode paling en andere vissoorten vis ik niet op dood aas.

Een dode of slechts zwemmende levende aasvis is een makkelijke prooi en zal vaak sneller een snoek opleveren dan een snel geviste plug. De snoek heeft immers geen haast in de winter. In de tijd dat ik nog met levend aas viste had ik in de wintermaanden een aparte constructie voor levend aas. De Engelsen noemden het een “ledgered lifebait tackle”. Wat zoiets wil zeggen als verankerd levend aas. Het principe is simpel: je plaatst een levende aasvis in een takel die je vervolgens met 80 gram lood op de grond legt. Daarboven een dobber die een drijfvermogen heeft van een gram of 15 a 20. Je draait de hele constructie strak en het enige wat de aasvis kan doen is rond de 80 gram lood zwemmen.

Als de aasvis weg wil zal hij eerst de dobber onder moeten trekken en voortdurend kracht moeten blijven zetten om bij het lood weg te blijven. Stopt de aasvis met zwemmen word hij automatisch door de druk van de dobber weer naar het lood toe getrokken. Het leuke van deze methode is dat je de aanbeet altijd van tevoren aan ziet komen. De snoek zal op een gegeven moment in de buurt komen van de aasvis, gevolg is dat de dobber heftig begint te schokken of zelf even onder wil gaan. Maar de druk van de dobber voorkomt dat. Vaak duurt het nog minuten voordat de snoek de aasvis pakt en pas dan zal de dobber uiterst rustig weglopen en is het tijd voor actie. Op deze manier heb ik jaren geleden behoorlijk wat mooie snoeken gevangen op wateren waar je al slepende met een boot geen snoek kon vangen in de winter.

Gevangen snoek

Een spinner of blinker behoort tot de standaard uitrusting van een snoekvisser, het is een relatief goedkope en een eenvoudige manier om de snoek achter de schubben aan te zitten. Natuurlijk moet men voor het juiste water en in mindere mate voor het jaargetijde rekening houden met wat voor soort spinner je wilt gaan vissen. Je komt dan al gauw voor de keus te staan om met een verzwaarde of een onverzwaarde spinner te gaan vissen. Meestal geld als regel dat je in ondiepe wateren zoals slootjes en poldervaarten je met een onverzwaarde spinner aan de gang gaat. Dit om vastlopers op de bodem te voorkomen. Een paar goede onverzwaarde spinner zijn onder andere de Ondex nr.4 of nr. 5 en de Mepps Lusox nr. 2 en nr. 3.

Deze spinners worden gevist aan een lichte spinstang of aan een flexibele stalen onderlijn. Het is ook zeker niet verkeerd om een zogenaamd antikink vaantje te gebruiken om kinken en pruiken te voorkomen. Toch zal de situatie zich een keer voordoen dat een verzwaarde spinner te diep gaat en dat een onverzwaarde net niet genoeg body heeft om een bepaalde gewenste diepte te halen. Op dat moment is het handig om een paar loodkogels bij je te hebben en er een paar op de spinstang te knijpen totdat hij wel aan jouw verwachting voldoet. Knijp dan wel de loodjes op de spinstang of stalen onderlijn dan beschadigd je vislijn in elk geval niet. Natuurlijk bestaat er ook de mogelijkheid om een gekochte spinner aan te gaan passen het zij door een twisterstaart op de dreg te bevestigen of om er een nieuwe dreg voorzien van de nodige bucktail accessoires aan te monteren. Zo geef je kunstaas misschien net dat beetje meer aantrekkingskracht waar je al de hele tijd op zat te wachten.